
In een vorig commentaar heb ik gezegd dat de media zich niet volgens de Code van Bordeuax hebben gedragen in het debat rond de welzijnsaccommodaties. De integriteit was vaak ver te zoeken en het regende vooroordelen en aannames. De mond van het publiek schijnt altijd betrouwebaarder te zijn dan die van het bestuur. In het geval van de portefeuille welzijn komt daar nog iets bij. Vrijwel niets is zo kwetsbaar als het thema welzijn. Welzijn, of liever “welvoelen” staat bij haast iedereen bovenaan de levensagenda maar vrijwel niets is zo moeilijk te definiëren als welzijn. Zelfs in de meest reguliere betekenis is het welzijnsveld ten opzichte van andere bestuursgebieden het meest versnipperde. Dat is natuurlijk niet zo vreemd omdat ieder mens zich nu eenmaal op zijn of haar eigen manier “welvoelt”. Is er voor een gebroken been nog een panacé te bedenken, voor een verloren uurtje bestaat zoiets niet. Tegelijkertijd is er ook haast geen thema te vinden waarvoor mensen bestuurlijk gezien zo weinig geld over hebben als voor welzijn. Het is de aloude bestuurlijke tegenstrijdigheid dat mensen de minste inzet plegen voor de dingen waarvan ze het gelukkigst worden. Als wethouder van Welzijn bevind je je daarmee op een haast onmogelijk snijvlak van belangen en het is o zo eenvoudig om de desbetreffende bestuurder met pek en veren te overgieten. Overigens dient de bestuurder daarmee voortdurend rekening te houden en dus zou hij of zij steeds uiterst prudent moeten optreden. Of dat in het genoemde debat is gebeurd, betwijfel ook ik wel eens. Maar ja, twijfel mag niet tot veroordeling leiden, niet in woord en niet in toon. Daarbij komtook dat het bestuur om redenern van opportuniteit een scheiding heeft gemaakt tussen culturele voorzieningen en welzijnsvoorzieningen. In de belevenis van veel mensen bestaat die scheding niet en terecht. Een kaartavondje is zowel welzijn als cultuur en hetzelfde geldt voor bingo, dansen of zelfs een begrafenis of crematie. Ja zeker, zelfs voor de van zijn wortels ver afgedreven westerse mens kan een begrafenis onder het kopje “welzijn” worden gevat. In dat opzicht is de Ooster Begraafplaats een welzijnsinstelling. Ze biedt mensen de mogelijkheid het rouwproces via individuele of collectieve rituelen te doorlopen en te vergemakkelijken. Daarmee verhoogt ze ons welzijn. Zodra de strijd losbrandt tussen bestuur en burgers of delen van de bevolking over welzijnsthema’s is het voor de media dan ook extra uitkijken. De rol van de media is niet de “aanval” op één van beide partijen maar die van communicator. Het is lachwekkend om te zien hoe journalisten bestuurders soms betichten van gebrek aan communicatieve eigenschappen terwijl zij daar zelf ook niet mee behept lijken te zijn. Dat is beroerd want het wezen van de journalist is communicatie en niet “partij kiezen”. Dat laatste is jammer genoeg wel steeds meer bon ton aan het worden maar daarmee is het nog geen goede journalistiek. Je zou eerder van een verloedering van het vak kunnen spreken. Begrijp me goed, als ik zou optreden als journalist of redacteur van een partijblad, dan zou ik mij in een heel andere positie bevinden. Als journalist of redacteur van een algemeen publieksblad blijft het echter gaan om de neutrale waarheidsvinding en communicate. Van tijd tot tijd gaan er stemmen op om van de media de roeptoeter te maken van de gewone man. Dat lijkt een mooie filosofie maar de desbetreffende media zullen die functie dan ook in hun missie of ondertitel duidelijk moeten maken bijvoorbeeld als “De Volkse Roeptoeter”. Het is absoluut verwerpelijk om als gerenommeerde neutrale media positie te kiezen in een conflict waarvan die media geen deel uitmaken. O ja, zeker, zij kunnen een stem geven aan de partijen maar dat moet dan duidelijk in de vorm van een interview of reportage worden vormgegeven, niet in de vorm van een nieuwsbericht of verslag. De herkomst van stellingen behoort duidelijk te zijn. Media zouden zich niet moeten voegen bij degenen die alles wat van het bestuur komt al bij voorbaat “verkeerd”, “corrupt”, “onverstandg” of “non-communicatief” noemen. Voordat het zover komt, moet er een onderzoek plaatshebben en dat heb ik nergens aangetroffen. Het hoort bij de hijgerige trend, de gerichtheid op scoren van de laatste jaren die ook “kritisch” voortdurend verwart met “negatief”. In onze jaren van algemene volkshysterie, opgewekt door mannen als Fortuyn en Wilders en een overmatige waardering van het “klantgericht werken” (wat in de p[raktijk altijd neerkomt op “leverancier gericht werken”) en verder uitgewerkt in hersenspinsels als “Apeldoorn” en het carnaval van stille tochten valt het niet mee om de zaken helder te blijven zien. Des te belangrijker is het dat het journalistendom zich niet willoos laat meeslepen in de richting van het journaille.
Tot schrijfs,
Kaj Elhorst
Service
0 Reacties tot “Modder gooien of journalistiek”